Back Archief Columns Astrid's column - Als alles verloren lijkt

Astrid's column - Als alles verloren lijkt

(0 stemmen, gemiddeld 0 van 5)

Mijn meisje zit aan tafel. Ze maakt een mooie dolfijn van de strijkkralen, die ze voor haar verjaardag heeft gekregen. Mijn meisje. Ze babbelt over van alles en nog wat en probeert mijn aandacht vast te houden door net te doen of ze niet weet hoe ze de dolfijn moet maken. 

Ik trap er bewust in en geef aanwijzingen, terwijl ik zelf een zonnetje van strijkkralen maak. Deze momenten zijn me dierbaar. Dean ligt lekker te slapen in bed en dan heb ik tijd voor Gwen. Soms word ik gek van haar geklets en ik hoop dan stiekem dat ze een half uurtje buiten wil spelen. Vandaag niet. Vandaag geniet ik van haar.

‘Mam? Ik weet niet meer wat ik nu moet doen, hoor,’ zegt ze quasigeïrriteerd. Ik glimlach.
‘Natuurlijk wel,’ zeg ik. Ze kijkt zogenaamd sip.
‘Nee, ik kan dat niet, hoor!’ Een diepe zucht die waardig is voor een Oscar ontsnapt uit haar mond.
‘Dan probeer je toch eerst de staartvin?’ stel ik voor.
‘Oh ja!’ Met hernieuwde moed gaat ze verder met de dolfijn. Stiekem bekijk ik haar gezichtje: blonde haartjes op een staartje, blauwe oogjes vanachter een rood brilletje, zachte wangetjes. Ze kijkt op en grijnst.
‘Mag ik nou een snoepje?’ vraagt ze. ‘Want daar heb ik zoooveel zin in!’

Ze hupst blij heen en weer als ik opsta en naar de kast loop voor de snoepbak. Als ze even later tevreden op een zoute rij kauwt bekijk ik haar weer. Ze zit daar op de eetkamerstoel, geheel op haar gemak. Voor mij is ze het mooiste meisje van de wereld. Mijn meisje. Ze kletst de oren van mijn hoofd en terwijl ik naar haar luister weet ik dat haar leven op de kop zal staan. Ik weet dat ze over een jaar niet meer in dit huis woont. Ik weet dat ze haar vader het meest van de tijd zal moeten missen. Ik weet dat ze mij een dag extra zal moeten missen, doordat ik meer ga werken. Misschien woont mijn meisje tegen die tijd op een flat, misschien moet ze dan haar slaapkamer delen met haar broertje. Misschien moet ze volgend jaar naar een andere school.

Ik slik een keer, in de hoop de brok weg te krijgen die vast lijkt te zitten in mijn keel. Misschien… nee, ik weet het zeker. Ze zal bijna alles kwijtraken dat ze kent. Dean ook. En ik ook. De vader van mijn kinderen en ik gaan uit elkaar, maar we hebben de kinderen het nog niet verteld. Ik maak me zorgen over hoe Gwen en Dean het zullen oppakken. Hoe ze gaan reageren. Vooral omdat – is hij al mijn ex? Is hij nog mijn vriend? Ik weet het niet – hij en ik nog steeds in één huis wonen, zonder enige vorm van ruzie. Ondertussen al zes weken lang. Het is een rare situatie, maar het is zoals het is. De kinderen zien hem tenminste niet minder dan normaal. Ze zijn dol op hun vader.

Gwen kijkt me met een grijns aan. Ze heeft gezien dat ik haar bekijk.
‘Mag ik er nog eentje?’ vraagt ze en ik weet dat ze de zoute rij bedoeld.
‘Straks, als Dean wakker is,’ beloof ik haar. Ze hupst weer op en neer op de stoel en roept enthousiast: ‘Yeah!’

Het duurt niet lang voordat ik Dean door de babyfoon hoor roepen. Hij roept om zijn vader en mijn hartje breekt. Straks is zijn vader er niet meer iedere dag. Hoe leg je dat uit aan een kind van twee? Ik kan het zelf amper bevatten.

Dean is uitgeslapen en vrolijk. Nog voordat ik hem kan aankleden en hem naar beneden heb gebracht heeft hij al zeker vijftien keer om zijn vader geroepen. Ik vertel hem dat papa centjes verdiend en dat Gwen beneden is. Zoals iedere dag is hij dolenthousiast dat zijn grote zus er is, al weet ik dat ze binnen een half uur ruzie maken. Voorlopig zijn ze nog blij met elkaar. Ik geef ze wat te drinken en een snoepje. Terwijl twee blije gezichtjes boven de salontafel uitkomen en me al kauwend aankijken, glimlach ik als een boer met kiespijn. Ze raken straks alles kwijt dat ze kennen en het doet me vreselijk veel pijn. Hoe moet ik hen opvangen en troosten? Zelfs na zes weken ben ik er nog niet uit.

Ik probeer het vervelende gevoel in mijn buik aan de kant te schuiven en zeg geforceerd enthousiast: ‘Wat gaan we voor een leuks doen?’
Gwen denkt na met een lange ‘Eeeeeeh…’ en Dean roept zijn standaard antwoord: ‘Opa!’
We trekken de schoenen en jassen aan en om naar opa en oma te gaan.
‘Mama,’ zegt Gwen terwijl ik haar jasje dicht rits, ‘ik vind jou lief.’ Vervolgens geeft ze me een kus op mijn neus.
‘Ik jou ook, meissie,’ vertel ik haar. ‘Je bent mijn meisje.‘
Dean propt zich tussen Gwen en mij in en duwt zijn knuffelhond vol in mijn gezicht. Ik moet het beest eerst een kusje geven voor hij ophoudt. Daarna aait hij me over mijn haren.
‘Is mama lief?’ vraag ik hem. 
‘Ja,’ antwoordt hij zonder twijfel en duwt zijn hoofd tegen me aan voor een kusje. Zonder dat ze het weten zijn dit soort momenten enorm belangrijk voor me. Uit deze kleine dingen put ik kracht om door te gaan. Voor hun. En ergens diep vanbinnen weet ik dat het goed gaat komen met ons drietjes.

Misschien niet gelijk, maar we gaan het redden. 

Plaats reactie