Back Archief Columns Astrid's column - Anti-climax

Astrid's column - Anti-climax

(0 stemmen, gemiddeld 0 van 5)

De straten zijn bijna leeg. Er zijn hier en daar wat lampen aan bij de bedrijven, maar ik vraag me af of er nog mensen echt aan het werk zijn. Overdag is het industrieterrein druk en vol leven, maar nu het avond is ziet het er eenzaam uit. Ik parkeer vlak voor de deur van het pand. De autodeur piept als ik hem open.

Het is een knarsend, zeurend geluid dat me kippenvel geeft. Ik vind het hondsirritant. In mijn gedachte maak ik een notitie om het tegen mijn vriend te zeggen, zodat hij er iets aan kan doen.

Zodra ik uitstap blaast de koele wind mijn haar in mijn gezicht. Ik veeg het aan de kant en probeer tegelijk mijn tas te pakken. Verderop bewegen de struiken, maar dat komt vast door de wind. Donkere wolken hangen laag boven het pand en geven het gebouw een dreigend uiterlijk. Ik weet niet waarom, maar vanavond voel ik me niet op mijn gemak. Mijn autodeur sluit met hetzelfde irritante gepiep als bij het openen. In de schemer van de avond flikkeren de lichten van de auto een keer en met een klik vergrendelen de deuren. Mijn hakken tikken op de straat, terwijl ik naar de deur loop. Ik baal ervan dat ik weer terug moet. Het was een stuk aantrekkelijker geweest om op de bank te zitten met een warme kop koffie en mijn laptop op schoot. Het is helaas niet anders en ik zal toch nog een paar uur moeten werken.

Ik zoek naar de sleutels in mijn jaszak. Het duurt even voor ik ze vind. De wind gaat ineens liggen en het is doodstil. Met een ongemakkelijk gevoel kijk ik om me heen. Zijn dat voetstappen of is het mijn fantasie? Heel even sta ik stil te luisteren, maar ik hoor het niet meer. De wolken rollen langzaam voorbij, alsof ze een voorbode zijn van slecht weer. Ze geven me de kriebels, net als de stilte en het schemer. Snel haal ik het kaartje langs de lezer en de deur opent met een bekende zoem. Ik ben blij als de deur achter me dicht valt en haal een paar keer adem. Met het kippenvel nog op mijn armen loop ik naar de lift en druk op het knopje.

Mijn hart bonst als een gek. Ik probeer het nare gevoel van me af te schudden, maar het lukt niet. Ergens moet ik lachen om mezelf. Ik heb zoveel fantasie dat ik mezelf er bang mee kan maken. Het is maar goed dat ik volwassen ben, prent ik mezelf in. De lift laat erg lang op zich wachten en ik besluit de trap te nemen. Het getik van mijn hakken echoot door de hal en met hernieuwde moed loop ik naar boven. Een zuchtje wind brengt een zoete geur mee. Ik stop op de trap. Alle ramen zijn dicht. Waar komt die wind vandaan? Opnieuw krijg ik kippenvel. ‘Doe niet zo idioot’, zeg ik hardop. Het helpt niet en ik versnel mijn passen om boven te komen.

Op de eerste verdieping staat de deur open, waardoor ik de lange, rechte gang in kan kijken. Snel loop ik de volgende trap op. Waarom heb ik niet gewacht op de lift? Ik ben halverwege als er weer een zuchtje wind langs komt. De haren in mijn nek staan overeind en als ik omkijk zie ik een schaduw bewegen in de gang. Het zweet breekt me uit. Met grote passen ren ik naar boven. Mijn hart bonst luid in mijn oren. Ik neem een laatste grote stap om boven te komen, maar mijn voet blijft haken.

Languit klap ik over de vloer. Vlak naast me hoor ik een ademhaling. Verschrikt kijk ik om. Er is niemand. Ik heb de neiging om te gillen, maar in plaats daarvan sta ik op en ren voluit de gang door. Mijn voetstappen echoën gedempt tussen de wanden. Ik stop bij een deur in het midden van de gang. Mijn hart bonkt bijna mijn lijf uit, mijn ademhaling piept. Ik graai naar de sleutels in mijn jaszak.

Voetstappen echoën door de gang, maar zowel links als rechts van me is niemand te zien. Aan het einde van de hal gaat de lift open. Opnieuw brengt een zuchtje wind een zoete geur met zich mee. Ik weet zeker dat er iemand de lift uitstapt. In paniek foeter ik tegen de sleutels, die niet mee willen werken.

Eindelijk heb ik de juiste en ram het in het sleutelgat. Met een ferme draai klikt het slot open en ik val bijna met deur en al naar binnen. Zo snel als ik kan draai ik de deur op slot en doe het licht aan. Hijgend en met een bonkend hart loop ik naar mijn bureau. Iets schuift langs de deur en mijn hart slaat een keer over. Als versteend sta ik naast mijn bureau. Wat als ze naar binnen komen? Het slot ziet er niet erg stevig uit.

Ineens word ik bij mijn arm vastgepakt. Ik gil en draai me om, maar er is niemand. Weer trekt iemand me aan mijn mouw. Wild kijk ik om me heen en richt mijn blik naar beneden. Twee blauwe ogen kijken boos vanachter een rood brilletje. Verbijstert staar ik ernaar. ‘Ma-ham! Ik moet poepen!’ Gwen staat heen en weer te wiebelen met haar knieën tegen elkaar. Haar blonde staartjes wiebelen net zo hard mee. De zoete geur van snoep hangt in een walm om haar heen. Ik zit achter mijn laptop, thuis, in mijn eigen keuken. ‘Je weet waar de wc is,’ zeg ik, nog half verdwaasd. ‘Ik kom je zo helpen, ga maar vast.’ Ik schraap mijn keel en met moeite schakel ik om. Gwen gaat naar de wc. Ik sluit het Word bestand en zucht een keer. Het valt ook niet mee om een spannende scene te schrijven met kinderen om je heen.

Plaats reactie