Back Topics Groei en ontwikkeling Baby's brein Eenkennigheid

Eenkennigheid

(0 stemmen, gemiddeld 0 van 5)
eenkennigheid

Ook aan eenkennigheid ligt angst ten grondslag, namelijk de scheidingsangst, die vanaf ongeveer 7 maanden oud optreedt. Kenmerkend voor deze angst is, dat het kind niets meer van een ander wil weten dan alleen de eigen vertrouwde persoon. Ook in een vreemd bed of andere kamer slapen wordt moeilijk. Het kind voelt zich in de steek gelaten na het naar bed brengen. Het voelt zich gescheiden van een vertrouwd persoon, ook al ligt het in zijn eigen bed.

Deze eenkennigheidsperiode is het sterkst tussen de 8-18 maanden en kan tot rond het tweede jaar duren. Het is belangrijk om te weten dat de angst echt is en voor het kind heel reëel. De baby kan de tijd waarin iemand verdwijnt niet overzien, alles lijkt een eeuwigheid te duren.

De scheidingsangst van de baby kan in een wat veranderde vorm doorzetten in de peuterleeftijd. Op dat moment wordt het angst voor liefdesverlies, een kinderangst die gedurende de hele kindertijd een rol speelt. Deze angst hoort bij de ontwikkeling van het eigen "ik", het kind gaat zijn grenzen verkennen. Tegelijkertijd komt hij hierdoor tegenover zijn ouders te staan, met hun regels en grenzen. Deze confrontatie roept angst voor liefdesverlies op.

Hoe ga je met eenkennigheid om?
de angst kan verminderd worden door niet lijfelijk aanwezig te zijn als de baby in bed of in de box ligt, maar wel je stem te laten horen; dit biedt veiligheid je eigen bezigheden hebben in de buurt van de baby; het horen daarvan stelt hem gerust dring het kind niet op aan anderen; het verergert de angst kiekeboe of verstoppertje spelen, zodat het kind leert begrijpen dat de leidster of moeder ook weer terugkomt kijk hoe de ouders met deze angst van het kind omgaan
maak samen met ouders/verzorgers en leidsters van het kinderdagverblijf een aanpakplan, nadat eerst is nagegaan hoe het kind thuis en op het kindercentrum is.

Het wennen van de kinderen aan het kindercentrum
Voor het eerst naar het kindercentrum is even 'wennen' voor heel wat ouders en kinderen. Ieder kind en iedere ouder reageert weer anders op de nieuwe omgeving. Sommige kinderen komen binnen, zien hun ouders niet meer en genieten volop. Andere kinderen zijn heel kort of heel lang verdrietig. Ook ouders reageren verschillend op het wennen. Zij kunnen het geen punt vinden en hun kind meteen met een gerust hart achterlaten. Ze kunnen ook wel huilend de deur uit gaan bij het afscheid nemen.

Het wennen, wat speelt een rol?
Eenkennigheid en de daarmee gepaard gaande scheidingsangst kunnen problemen bij het wennen in een kindercentrum geven. De eenkennigheidsfase van baby's begint zo ongeveer bij 6 à 7 maanden. Na die tijd kan het wennen een probleem worden. De eenkennigheidsfase is een ontwikkelingsfase van kinderen. Het kind gaat het verschil zien tussen de vaste verzorger een een vreemde. Bij het zien van een vreemde kan een kind gaan huilen, angstig worden en wegkruipen bij de vaste verzorg(st)er. Dit maakt het wennen natuurlijk niet gemakkelijk. Niet ieder kind heeft dit. Het beste is het wanneer het kind geplaatst wordt voordat de Zenkennigheidsfase begint. Het wennen van jonge baby's gaat vaak snel. Oudere kinderen hebben vaak wat meer tijd nodig. Het is bekend dat kinderen vanaf 8 maanden heftig reageren op scheiding van hun ouders en dat het niet ongewoon is dat kinderen 4 weken nodig hebben om zich helemaal vertrouwd te voelen in een kinderdagverblijf.

Ook bij peuters speelt eenkennigheid en angst voor scheiding van de vaste verzorg(st)ers een rol. Deze angst is meestal op te lossen. Aan peuters kun je vertellen dat de ouder weer terugkomt. Peuters hebben al een vast beeld gevormd van hun vaste verzorgers en daardoor meer basiszekerheid gevormd. Peuters zijn nauwelijks in staat hun gevoelens onder woorden de brengen. Hoe ze het wennen beleven moet je vaak afleiden uit hun gedrag. Het kind klampt zich bijvoorbeeld vast aan de ouder als deze weg wil gaan. Het kind gaat huilen bij het afscheid nemen en blijft daarna lange tijd verdrietig. Het kind durft de ruimte en het speelgoed niet te verkennen, is bang voor de andere kinderen.

Naast eenkennigheid spelen er nog meer factoren een rol bij wenproblemen. Het is belangrijk om per kind goed te bekijken wat er aan de hand is, en hoe je kunt helpen. Belangrijk is het ook om van de ouder te horen hoe het kind thuis heeft gereageerd. Was het moe of onrustig? Het is een samenspel van ouders, leidster en kind.

Sommige ouders hebben moeite om hun kind achter te laten in het dagverblijf of de peuterspeelzaal, omdat ze er zelf eigenlijk (nog) niet helemaal achter staan. Ze zijn er nog onzeker over en daardoor onvoldoende gemotiveerd. Dit voelen kinderen zeer goed aan.
 

Plaats reactie