Back Topics Groei en ontwikkeling Angsten

Zelfbescherming

(0 stemmen, gemiddeld 0 van 5)
angst

Angst dient als signaal voor gevaar. Het gevaar kan reëel of denkbeeldig zijn. Als vorm van zelfbescherming is angst juist een positieve ervaring. Het voorkomt dat er onnodige risico’s worden genomen. Een kind dat geen angst kent, kan een gevaar voor zichzelf en andere kinderen zijn. Er zijn verschillende soorten angst waar je kind last van kan hebben.

Verlatingsangst en scheidingsangst
Deze angsten komen bij kinderen veel voor. In deze periode gaat je kind zichzelf als een individu zien. Hij wil zelfstandig zijn en maakt zich los van zijn vader of moeder, maar is tegelijkertijd ook angstig voor het verlies van zijn ouders of verzorgers. Kenmerkend voor scheidingsangst zijn inslaapstoornissen en geen afscheid van zijn ouders of verzorgers kunnen nemen als hij naar school wordt gebracht.

Angst voor vreemden
Kleuters gaan graag op ontdekkingstocht maar hebben daarbij toch een veilige uitvalbasis nodig. Onbekende situaties en mensen kunnen hen angstig maken.

Angst voor griezels en enge beesten
Bij kleuters komen de fantasie tot ontwikkeling. Ze gaan over verschillende dingen fantaseren die er in de werkelijkheid niet zijn. Allerlei dingen, zoals voorgelezen verhaaltjes en televisieprogramma’s gaan een eigen leven leiden in hun fantasie. Hierdoor kunnen ze geen onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid. Dit overweldigt de kleuter en wordt daarom als angstig ervaren.

Hoewel de bovengenoemde angsten heel normaal zijn in de ontwikkeling van kinderen, zijn er toch grote verschillen tussen het ene en het andere kind. Factoren zoals aanleg, de opvoeding en de omgeving spelen een rol. Verder kunnen spanningen in huis, veranderingen, een verhuizing, ziekte en mishandeling er ook voor zorgen dat kinderen angstiger zijn. Onberedeneerde angst komen bij kleuters ook voor. Het is dan moeilijk om er achter te komen, waar hij bang voor is.

Kenmerken van angst:

  • vermijdingsgedrag. Je kind vermijdt andere kinderen of hij vermijdt de leraar en wil niet meer naar school gaan;
  • verandering in slaappatroon. Hij heeft moeite met inslapen en opstaan;
  • verandering in zindelijkheid. Hij krijgt een terugval;
  • verandering in gedrag. Hij wordt overdreven aanhankelijk, druk, wild of agressief. Kinderen die zich bedreigd voelen gaan soms slaan; paniekreacties. Je kind kan gaan krijsen en zich aan je vast klampen;
  • lichamelijke klachten, zoals geen eetlust hebben. 

Omgaan met de angst van je kind:

  • neem zijn angst serieus. Zeg niet dat er niets is om bang voor te zijn;
  • besteedt niet te veel aandacht aan zijn angst. Het kan de angst versterken en het geeft je kind het gevoel dat ze terecht bang zijn;
  • niet forceren. Kinderen kunnen dan overspoeld worden door angst, wat tot paniek kan leiden;
  • biedt veiligheid. Blijf in de buurt van je kind;
  • versterk zijn zelfvertrouwen. Hoe positiever het zelfbeeld van kinderen, hoe minder angstig ze worden;
  • geef het goede voorbeeld. Kinderen nemen angsten over van anderen. Probeer daarom je eigen angsten niet over te dragen.
  • praat over angst, door bijvoorbeeld verhaaltjes voor te lezen;

 

Plaats reactie